De nabijheid van vriendschap, van iemand die ons liefheeft, verandert ons leven en geeft aan de wereld om ons heen een ander gezicht. Ik woon ergens, in een huis van bijv. tien bij twaalf, en met een rood dak, en bomen er omheen. Als ik eenzaam ben en ongelukkig, is het een ander huis dan wanneer ik vriendschap en liefde ondervind, al blijven de afmetingen hetzelfde. Een vrouw sterft weg aan kanker, maandenlang; een man blijft haar trouw, heeft haar lief, iedere dag. Dan zal ze misschien tot hem zeggen : jij hebt mijn ziekte veranderd. Geen enkel medisch apparaat zal die verandering in haar kunnen registreren.
Iemand bidt om genezing. Hij roept God nabij, zijn trouw, zijn vriendschap. In dat gebed verandert de betekenis van zijn ziekte, het uitzicht, verandert hijzelf, wordt hij groter dan angst en pijn. Hij sterft, maar hij sterft anders. In de hof van de olijven bidt Jezus van Nazareth: laat deze beker aan mij voorbijgaan. Het gebeurt niet, het lot voltrekt zich aan hem. De geschiedenis weet dat hij de beker drinken moest en de dood is ingegaan. Het evangelie zegt dat zijn gebed verhoord is, dat hij is opgestaan uit de dood.
Bidden is: je vraagt om dit of dat, een andere mens, en je krijgt waar je niet om gevraagd hebt: de ‘kracht’om het zonder cynisme aan te kunnen dat dit of dat of die andere mens je niet gegeven wordt. In psalm 30 bidt een mens om leven (want wat heeft God eraan als hij dood gaat en in het graf wordt gelegd). “Toen hebt gij mijn droefheid veranderd in vreugde”. Er staat niet dat de dood uit zijn leven werd weggenomen. Misschien kreeg hij meer leven dan waarom hij vroeg; meer dan weer kunnen ademhalen, lopen en eten.
Misschien kreeg hij : weten, wachten, aanvaarden. Dat soort leven en levenskracht wordt in het evangelie “heilige geest” beter, “andere goddelijke inspiratie” genoemd. Van die Geest, inspiratie wordt gezegd, dat hij de aarde een nieuw gezicht zal geven.
J.W.Bok